Bijdragen
De volgende bijdragen zijn door bezoekers toegevoegd:
Albert Beek, van student tot Nazi slachtoffer
Vier jaar na hun huwelijk krijgen David Beek en Rachel Kapper een zoon, hun enige kind: Albert. Hij wordt geboren op Woensdag 26 April 1922 in Amsterdam. Ze konden toen nog niet weten dat hun enig kind maar 20 jaar zou worden.
De school die Albert als laatste doorliep, met goed gevolg, was het Tweede Gemeentelijk Gymnasium in Den Haag (later werd de school het Maerlant Lyceum)aan de Bildersstraat 11, hij kwam daar 4 September 1934 vanaf waarschijnlijk de lagere school voor jongens die in de Van Nijenrodestraat 16 was gevestigd sinds 1931. Hij begon in klas IC en woonde toen Mesdagstraat 41. Op zijn kaart dat hij tussentijds 10 Mei 1938 de school tijdelijk verliet in verband met verandering van studieplan, hij ging naar het instituut Montana maar kwam weer terug 2 dagen later, de laatste was klas V op 13 Juli 1939 waarna hij op 15 September 1939 de school verliet en in de handel ging zo geeft zijn leerlingenkaart aan. Die kaart vermeld ook: omgekomen in oorlogstijd. Zijn naam staat op een plaquette in die school om hen te eren die door oorlogsgeweld zijn omgekomen. Na de oorlog kreeg zijn lerares Geschiedenis/Nederlands/Aardrijkskunde en conrectrice A.J. Portengen(1890-1979),op die school ook wel “tante Por “genoemd, informatie over haar leerling Albert. Op jonge leeftijd werden hij en zijn moeder (vader David overleed al in 1931) geconfronteerd met een oorlog waarin men het vooral op hen en hun geloofsgenoten gemunt had. Albert woonde in de Weissenbruchstraat op nummer 95 (laatst bekende adres op 9 Mei 1940) en zijn moeder had na de scheiding van David in 1928 een nieuwe echtgenoot, Jacob Cohen (1895),een makelaar in koffie uit Rheden, de zoon van Simon Cohen en Betje Bosman. Vreemd genoeg spreken veel documenten over geboorteplaats Velp, de geboorteakte spreekt van Velp, gemeente Rheden.
Ook David hertrouwt, in 1929 met Betje Bosman uit Rotterdam(1902-1942),zij krijgen een dochter Mary Greta (1930-1942),moeder Betje had een damesmodezaak Beek aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam en ze woonden in de Rochussenstraat. Moeder en dochter vluchten met familieleden Bosman naar vrij Frankrijk maar worden bij de grens met Vichy Frankrijk(het deel dat met de Nazis heulde) gearresteerd. Daarna worden zij, na een verblijf in kamp Drancy in Frankrijk, vermoord 19-8-1942 in Auschwitz.
Na de oorlog in 1948 hertrouwde Rachel met Maurice Gezang (1904-1983), die uit zijn eerste huwelijk een zoontje had die onder de schuilnaam Remi van Duinwijck in de kindercrèche zat tegenover de Hollandsche (later Joodsche)Schouwburg. Hij heette eigenlijk Koenraad Huib Gezang (29-1-1942 Den Haag)en werd in Sobibor vermoord als 1jarige op 21 Mei 1943. Niemand wist wie hij was, het was een achtergelaten kind die Oktober 1942 in de crèche gebracht. Rachel Gezang-Kapper is in 1975 overleden in Alkmaar waar zij woonde met Maurice(Maurits), ze woonde eerst Stalpertstraat 15 Den Haag en na de oorlog in 1958 met Maurice in Stockholm. De familienaam van Rachel Kapper is niet de originele achternaam, in 1912 werd bij koninklijk besluit op 16 Augustus de Portugese achternaam van vader Jacques (1877-1960) SEQUIERA gewijzigd in Kapper.
Het is inmiddels 1942.
Het verraad in Scheveningen, door Scheveningse landverraders
Diezelfde Jacob Cohen ,in 1938 van Rachel gescheiden, hij wilde het land ontvluchten naar Engeland omdat ook hij Joods is en zijn leven niet meer zeker is. In een getuigenverklaring wordt Jacob Cohen ook A. Groen genoemd. Ook Albert had die plannen en samen met zijn neef Philip Beek(1915),die leraar was in Haarlem wilden zij de overtocht maken. Albert was de jongste passagier op het vluchtschip, de andere passagiers/betrokkenen waren: de Haagse handelsreiziger Willem en zoon Simon van Wieringen (beiden in Auschwitz vermoord), de Scheveninger Jan de Brabander, (overleefde de oorlog),de broers Simon en Leo Fonteijn die in Scheveningen woonden(beide ook familie van Philip), beide vermoord in Buchenwald, Eddy Diamant, Jan Willem de Korver (heeft oorlog overleefd), Albert Levy, Alexander Mazeï en Siegfried Seemannn, een door De Brabander als F. van Beek aangeduide man. Verder de niet nader te traceren A. Levie en een persoon die wordt aangeduid als een ‘Roemeensche Jood’(dat was waarschijnlijk Mazei) Vanuit Scheveningen waren deze mannen van plan de oversteek te maken. Het verlangen van elk van hen om naar Engeland te vluchten bracht hen bij elkaar. De boot, de SCH 81, was geregeld door de moeder van de broers Fonteijn. Ene Aalbert de Jong was door haar broer om advies gevraagd en de Jong vroeg weer aan een collega op vliegveld Ypenburg (de Jong was daar grondarbeider), Dirk Storm of die een boot wist te krijgen voor Joden die wilden vluchten. December 1941 na diverse gesprekken tussen Storm de Jong hebben zij de mensen die wilden vluchten gemeld dat er een schip beschikbaar was. Op 23 December deden de Brabander en Simon Fonteijn een eerste poging de zee over te steken hetgeen mislukte, zij zijn gestrand en moesten onderduiken.
Het schip, de SCH 81, kwam even voor vertrek rond 21.00 op zaterdagavond de haven van Scheveningen binnenlopen. Deze was naar zeggen van Marten Slagter(in gesprek met Storm en de Jong en Leo Poos) in de Tweede Binnenhaven aan de Dr. Lelykade en dit ter hoogte van het loodsencomplex van de Visafslag Het schip, wat was omgenummerd van HD 220 (de Leuntje Jacoba)naar SCH 81, is door de Duitsers geleend van NSB'er Simon Vrolijk, een van de directeuren van de Scheveningse N.V. Vischhandel, Reederij en IJsfabriek v.h. Frank Vrolijk. Van deze rederij was het bekend dat zij met de bezetter heulde. Van Wieringen betaalt ruim 5000 gulden aan de Jong en Storm zou de tocht als schipper maken. Maandagochtend 5 Januari zou men volgens de Jong dan afvaren. Wegens slecht weer is het vertrek dan uitgesteld maar dat is waarschijnlijk om de Duitsers en hun handlangers gelegenheid te geven hen te arresteren wat ook gebeurde op Zondag 4 Januari 1942 rond 23.00 toen allen aan boord waren. Twee vrachtwagen en een personenauto waren volgens getuigenverklaring van De Brabander met ruim 30 personen aanwezig voor die arrestatie. Feitelijk was Jacob niet aan boord daar hij zelf 13 Januari 1942 gearresteerd was door rechercheurs Slagter en Poos zijn woning in de Haagse Vogelwijk, adres Nachtegaalplein16, Daar woonde op dat moment het echtpaar F.D. Graafland-Withagen. Zij hadden Jacob Cohen op 22 december 1941 als onderduiker illegaal huisvesting aangeboden. Jacob had zelfs eerder, nadat hij van stiefzoon Albert het plan gehoord had, een gesprek op het onderduikadres met de rechercheurs gehad om meer te horen over het vluchtplan.
Totaal waren er dus 12 vluchters aan boord van het schip. Die hadden 12 koffers en 2 zeezakken als bagage wat vrij veel was.
De Jong was getrouwd met een Duitse, Käthe Weiss(1908-1983) en die heeft misschien hen aan de Sicherheitspolizei verraden vanwege haar slechte relatie met de Van Wieringen familie. Zij was het in slechte economische staat verkerende Duitsland ontvlucht en in 1927 in Den Haag komen wonen en sinds 6 Juni 1928 was zij inwonend dienstbode bij deze familie, toen nog wonend op het Haagse Weteringplein in een winkelpand. Hoofd van de familie was Willem van Wieringen, een handelsreiziger, hij had 2 kinderen. De onderlinge verstandhouding was volgens haar latere echtgenoot de Jong slecht en zij vertrok daar Mei 1930.Dat jaar trouwde zij met de vroegere haringventer Aalbert de Jong.
Philip, die te boek staat als lid “Algemeen Verzet “, wordt op 7-1-1942 overgebracht naar het beruchte Oranjehotel te Scheveningen, waarvan geen bewijs is te vinden, aannemelijker is dat het de strafgevangenis was aan de Pompstationsweg. Volgens Rode Kruis documenten zou Philip ook in kamp Amersfoort zijn geweest, documenten daarvan zijn echter niet te vinden. Hij beland 31 maart 1942 in kamp Buchenwald (volgens documenten door de SD Scheveningen ingeleverd),krijgt nummer 1789 en wordt vermoord 17 Juni 1942. Opgegeven beroep op transportlijst: leraar/onderwijzer. Kampcommandant toen was SS Oberführer Hermann Pister(1885-1948)Philip zat waarschijnlijk eerst in ziekenboeg waar hij om 0630 dood wordt verklaard, zogenaamd “akute Herzschwaeche “.Voorbeeld van Nazi bureaucratie rond Philips overlijden: bij zijn dood bezat hij 30 Reichsmark, dat zou ten goede moeten komen aan zijn moeder maar er ging al 2 Mark 10 af voor portokosten, overschrijfkosten aan de Sicherheitspolizei in Amsterdam bedroegen 27 Mark 48, dan blijven er 42 Pfennig over en ook die belanden in de zakken van Philips moordenaars (informatie van Archiv Buchenwald) Philips naam komt voor op de Erelijst der Gevallenen die sinds 1960 in de Tweede Kamer ligt en waarvan elke dag een pagina wordt omgeslagen. Pister werd ter dood veroordeeld in Buchenwald proces maar overleed in de gevangenis 28 September 1948.
Albert Beek wordt gearresteerd als “Politischer Jude “ , hij “hat versucht nach England zu fahren” (vluchtpoging naar Engeland). Volgens het afwikkelingsbureau concentratiekampen in 1945 zou hij in April 1942 naar kamp Amersfoort zijn gebracht. Echter, de kaart van de “Schreibstube” in Buchenwald(administratie)plaatst hem in Buchenwald op 31 Maart 1942 waar hij gevangenenummer 1742 krijgt, als beroep wordt opgegeven boekhouder. Zijn beroep op kaart Dossier Vermiste Personen van Justitie is expeditiechef. Albert kwam binnen met een transport van 89 personen waarvan 4 Joden. Het is nog niet zijn eindbestemming want 15 September 1942 wordt hij op transport gezet naar kamp Gross Rosen in het Poolse Silezië( het kamp heet in het Pools Rogoźnica)wat nu Strzegom heet. Daar zit hij in Blok 4 en heeft nummer 4958 gekregen, wat blijkt uit de laatste brief die moeder Rachel ontvangt met dat bloknummer, de brief is gedateerd 11 Oktober 1942 en Justitie heeft 12-10-1942 aangenomen als sterfdatum, onwetend van de ware datum. Gross Rosen, eerst opgezet als satelietkamp van kamp Sachsenhausen, werd 1 Mei 1941 een concentratiekamp in kader van een groot project van Hitler genaamd Riese waarin dwangarbeid de hoofdrol speelt, de gevangenen worden vooral afgebeuld in de steengroeve en gemiddelde levensduur in het kamp is 5 weken. Totaal kwamen er 120.000 mensen het kamp in waarvan er 40.000 het niet overleefden. Kampcommandant was toen, op diens laatste dag , SS Standartenführer Arthur Rödl (1898-1945), een gewezen smid. Het kamp werd door het Russische leger op 14 Februari 1945 bevrijd.
Zowel Albert als Philip waren in Buchenwald ingedeeld in zgn. Arbeidskommandos: Strassenbau: stratenbouw; hierin waren 200 gevangenen ingedeeld en Steinbruch: stenen breken, uit nabijgelegen steengroeve. De stenen werden voor die straten gebruikt en een ervan heet treffend “Blutstrasse”, Bloedstraat.
Voor wat betreft Alberts uiteindelijke lot, Gross Rosen was niet zijn eindhalte zoals het Rode Kruis en later Justitie hebben aangenomen. Dat werd KZ Auschwitz, eveneens in Polen. Daar komt hij 5 dagen na die brief aan op 16 Oktober 1942 en krijgt gevangenenummer 68220 op zijn arm getatoeëerd. Albert wordt opgenomen in het hoofdkamp (sector Bla), in ziekenbarak 28, een barak dat op de begane grond de afdeling “interne geneeskunde” heeft was bedoeld voor poliklinische patiënten, ook worden er diverse experimenten uitgevoerd zoals testen van medicijnen en met TBC. Die experimenten werden uitgevoerd door verschillende beruchte SS kampartsen als Professor anatomie en genetica SS-Obersturmführer Johann Paul Kremer(1883-1965) en SS Hauptsturmführer Friedrich Entress (1914-1947). De barak is opgezet door SS Untersturmführer en kamparts Herbert Wuttke (1905),hij overleefde en werd zelfs in 1945 weer arts in Essen. Samen met 110 andere gevangenen eindigt Albert op 14 November 1842 in de gaskamer. Kremer werd in 1947 ter dood veroordeeld wat later in levenslang is omgezet. Entress werd in 1946 ter dood veroordeeld in het Mauthausen proces en geëxecuteerd in 1947.
Er zijn verhalen over barak 28 van andere overlevende gevangenen zoals van Władysław Fejkiel (no. 5647):
In het algemeen werden de zieken niet behandeld. Er waren geen middelen en er was geen tijd. De aandacht van doktoren en verpleegsters was gericht op de administratie bijhouden, alles op orde houden en documentatie over ziektes bijwerken die meestal ongebruikelijk compleet was, gezien de omstandigheden. De ziektegeschiedenis moest systematisch bijgehouden worden. Om de zoveel dagen werden opmerkingen van de artsen over het verloop van de ziekte opgeschreven samen met de resultaten van laboratorium tests, die, door technische oorzaken, niet altijd werden uitgevoerd. Elk medicijn gegeven of voorgeschreven moest worden genoteerd
Gepubliceerd op site:http://auschwitz.org/en/museum/about-the-available-data/memories/haeftlings-krankenbau-auschwitz-i-block-28-memories-memories/
De barak werd ook het “voorportaal van de dood “genoemd en terminale patiënten kwamen daar terecht. Het register van Blok 28 bevat van 27 Augustus 1941 tot 19 Januari 1944 8.769 namen.
Daders/verraders:
De Jong, Aalbert, geboren 17.11.1906 te Scheveningen (overleden in Duitsland 1967), een
Voormalig haringvisser, veroordeeld tot 20 jaar
Storm, Dirk, geboren 28.01.1914 te Scheveningen. Lid NSB, veroordeeld tot 15 jaar.
Uitvoerders arrestatie:
Leonhardus Poos geboren 16-4-1901, kapitein Staatspolitie,1941 rechercheur Haagse Documentatiedienst en bij de Sicherheitspolizei.
Marten Slagter geboren 30-3-1904, inspecteur 1e klasse Staatsrecherche, Oberleutnant Schützpolizei,1941 rechercheur Haagse Documentatiedienst
In 1942 waren ze beide toegetreden tot Afdeling IV ,bestrijding van sabotage en spionage.
Beiden werden eerst in 1948 tot doodstraf veroordeeld, daarna in hoger beroep tot levenslang veroordeeld. Maar in 1963 stonden ze al weer buiten op straat!
SluitenGeplaatst door beek1956 op 21 december 2018
Verraad in Scheveningen
Geplaatst door Stichting WO2 Sporen JvZ op 18 oktober 2017
Levensloop Albert Beek 1922
Geboren in Amsterdam als enige kind van David Beek en Rachel Kapper,vader al in 1931 in Rotterdam overleden.
Woonde ten tijde van oorlog met moeder in Den Haag,in de Weissenbruchstraat 95 en zat van 1934 t/m 1939 op het 2e gemeenschappelijk Lyceum.
Op 5-1-1942 werd hij door SIPO Den Haag in Scheveningen gearresteerd met oa zijn familielid Philip Beek wegens "vluchten naar Engeland" en als "Politischer Jude"op 31-3-1942 in Buchenwald als gevangene 1742 ingesloten.Op 15-9-1942 werd hij naar kamp Gross Rosen overgebracht in een transport van 600 gevangenen,daar kreeg hij nummer 4958.
In Buchenwald werkte hij in Kommando Strassenbau en Steinbruch
Op 16-10-1942 kwam hij in Auschwitz en had nummer 68220.Volgens Museum Auschwitz is hij op 14.11.1942 met nog 110 gevangenen uit ziekenbarak 28(stamkamp)vergast maar het ministerie van Justitie heeft zijn dood bepaald op 12-01-1942,1 dag nadat hij zijn laatste brief aan zijn moeder had geschreven.Die kwam uit Block 4.
Overlijdensdatum ligt echter na 16 Oktober 1942 omdat toen pas zijn gevangennummer werd uitgegeven(informatie Auschwitz Museum)
SluitenGeplaatst door beek1956 op 18 augustus 2017
