Bijdragen
De volgende bijdragen zijn door bezoekers toegevoegd:
Het sterven van Hendrik Cornelis Heusdens -zendeling-
Hendrik Cornelis Heusdens (geb. Rotterdam 10 Febr. 1904), gehuwd 3 Januari 1930 te Putten met Maria Johanna Bastiaans (1905-1996).
Het was 9 maart jl. precies 40 jaar geleden (1982 Red.) dat Zendeling H. C. Heusdens, om des geloofs in Christus wil, als beheerder en geestelijke verzorger van de melaatsenkolonie Donorojo op Midden-Java ten Noorden, door moordenaarshand viel. En het lijkt me goed, herinnering te brengen, dat wij, als Gereformeerde Zendingsbond, naast Van de Loosdrecht, die in 1917 op ons eigen zendings viel, ook nog Heusdens hebben, die op een vreemd zendingsveld zijn leven liet voor zijn Heere en Heiland.
Bijgaand artikel is ons aangeboden door Dr. J. J. J. Goslinga, die van 1935 tot 1957 als zendingsarts heeft gediend op Celebes. Hij beschrijft hoe zendeling Heusdens, die hij goed gekend heeft, in de voetstappen van Jezus stierf. Nu 40 jaar geleden: op 9 maart 1942.
Geestelijke verzorger in een melaatsen-kolonie.
In 1940, toen alle Duitse zendelingen in Nederlands Oost Indië door de Ned. Regering geïnterneerd werden, moesten de nu opengevallen zendingsvelden opgevuld worden. Door het Zendingsnoodbestuur werd een beroep gedaan op alle aanwezige zendingscorporaties, en dus ook aan de G.Z.B., om te helpen. Zo kwam Zendeling Pol op het eiland Nias, bij Sumatra, bij de Rijns Zending te werken en zendeling Heusdens op het oude zendingsveld der Doopsgezinden op Midden Java en wel op de zeer bekende lepra-kolonie Donorojo (letterlijk Vorstengave, n.l. een geschenk van koningin Wilhelmina, bij de geboorte van prinses Juliana). Deze werd op 30 april 1916 geopend, door Ds. Bervoets, terwijl de bekwame Dr. Gramberg er jarenlang de melaatsen behandeld heeft, ook nog toen Zendeling Heusdens er de 8e augustus 1941, met zijn gezin voet aan wal zette. De natuurlijk klein begonnen leprozerie was inmiddels tot een kolonie van 300 patiënten uitgegroeid, een model voor ons Indië. In deze kolonie was een grote christengemeente, een eerste begin in de vanouds felle Mohammedaanse streek.
Van de kant van de zending werd vooral de nadruk gelegd op de medische zending en Christelijke scholen (niet zo ver van Donorojo waren ziekenhuizen in Kelet en Taju). Hier nu kwam Zendeling Heusdens de Duitser Amschutz als geestelijk verzorger van Donorojo vervangen. Hij had een dubbele taak:
a) administratief beheerder van de kolonie, d.w.z. van de kas, maar ook van de voorraden medicijnen, textiel en voedingsmiddelen;
b) geestelijk verzorger van de gemeente der melaatsen.
Het is wonderlijk om te zien hoe spoedig er een vaste geestelijke band tussen de patienten en Heusdens is ontstaan. Hij is er tenslotte maar 7 maanden geweest; zijn preken in het Maleis werden door een christen-Chinees, een genezen patiënt, in het Javaans vertaald. Heusdens werd in korte tijd opgenomen in deze christengemeenschap van zwaar gehandicapten. Hij groeide er in tot hij hunner één werd : is hier een andere mogelijkheid denkbaar dan dat Gods Geest hier krachtig kwam te werken en een stoere Calvinist en van-huis-uit Doopsgezinde Javanen aaneen smeedde tot een gemeente, waarin Christus gestalte kreeg? In een liefde en in een zelfopoffering die ons nu nog met verbazing vervult.
Ik voel hier pas dat ik leef.
Ik zei u al, dat Heusdens met zijn gezin aankwam: man, vrouw en 3 kleine kindertjes, tenwijl Marie in verwachting was van haar vierde baby. En heus, het waren geen sterke mensen: indertijd, toen ze pasgetrouwd in Palopo kwamen, moest Marie al spoedig een jaar in Davos kuren, terwijl Heusdens zelf, ook na een ondergane maagoperatie bleef sukkelen en het in het warme Palopo niet kon volhouden.
En wonderlijk, vanuit Donorojo bereikten ons in Rante Pao, goede berichten: „Ik voel hier pas, dat ik leef", in die trant schreef hij ons. En aan de andere kant sprak hij tot zijn vrouw Marie, ik weet, dat ik dit niet overleven zal; wat er gebeuren zal, weet ik niet, maar het zal mijn dood zijn". Heusdens heeft eigenlijk maar vijf betrekkelijk rustige maanden op Donorojo gehad. Toen begon in januari 1942 de Japanse inval zo te dreigen, dat hij Marie en de kinderen naar een rustiger plaats op Java zond en zelf alleen achter bleef.
En toch ook weer niet alléén: Hij had zijn Heiland en zijn Heiland hielp hem bij het werk, dat Hij hem had opgedragen. En dat werd bijzonder moeilijk, dat blijven; vooral toen in maart 1942 het Hollandse gezag wegviel en felle Islamieten de "Heilige oorlog" begonnen tegen alles en een ieder, die niet tot de Islam wilde overgaan. Zo ging op 5 maart het zendingshospitaal in Tayu in vlammen op, waardoor Dr. Gramberg en zijn gezin naar Kelet moest vluchten.
Tot drie maal toe hebben zij vanuit Kelet getracht Heusdens over te halen om zich bij hen te voegen; ze hebben hen gebeden en gesmeekt om met hen naar Kelet te gaan, hetzij ten dode, hetzij te leven. En tenslotte is ook nog mevrouw Gramberg zelf, met haar zoon van 18 jaar als chauffeur, gekomen langs een levensgevaarlijke weg van 52 kilometer, om hem te smeken mee te gaan, zonder dat Heusdens een voetbreed wankelde. Wat is deze goede
man geschud. Door zijn eigen vrienden. Met de allerbeste bedoelingen wilde men hem dringen te evacueren naar veiliger oorden. Maar ook door zijn vijanden.
Tot drie keer toe wilden zij hem bewegen Mohamedaan te worden. Steeds weigerde hij: „Ik kan mijn patiënten onmogelijk in de steek laten; zeker, er zijn lichte zieken, die zichzelf wel kunnen redden; maar er zijn ook ernstige zieken, blinden, verlamden en doven. Zij zullen zeker de hongerdood sterven, als er niemand is, die voor hun eten zorgt en hun medicijnen geeft. God heeft mij hier naar toe gezonden en als Hij voorbeschikt heeft, dat ik hier zal sterven, dan zal ik dat graag doen voor mijn Heiland, Die Zijn Leven voor ons gegeven heeft".
De laatste zondag van zijn leven en tevens de laatste dag van zijn leven, 8 maart 1942, heeft hij 's morgens nog het Woord mogen bedienen. Zijn tekst was: Mattheus 24 : 6-10, uit de Profetische Rede".
„En gij zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al deze dingen moeten geschieden en nog is het einde niet. Alsdan zullen zij U overleveren in verdrukking en zullen U doden..."
In deze preek heeft Heusdens, met volledige inzet, en met de dood voor ogen, zijn gemeente gewezen op de twee wegen en op de twee soorten mensen: zij, voor wie dit aardse leven alles is en die de dood met alle middelen willen ontlopen en aan de andere kant zij, voor wie er een Leven wenkt nä dit aardse leven, een leven met de Heere.
En op het eind van deze dienst werd zó door blijdschap-metdroefheid overmand, dat hij bijna bleef steken.
„Voor ons is de aardse dood niet het ergste; de doodsrivier moeten we allen door: misschien zijn jullie het eerst aan de beurt; dan zijn jullie het eerst in het koninkrijk Gods, waar eeuwige Vrede heerst. Maar misschien ben ik jullie voor en dan zal ik jullie toewuiven aan de drempel van de Hemelpoort, jullie toelachen, omdat wij er zeker van mogen zijn, daar tot in eeuwigheid samen met Christus te zullen leven". Toen kon hij niet meer; zijn stem werd door tranen verstikt. Hij sloot tenslotte de dienst met gebed, waarbij hij alle aanwezigen overgaf aan Gods liefde en erbarmen. Toen kwam hij van de preekstoel af en ging met enkele patiënten naar het strand. Daar bleef hij enkele uren.
We hebben een sterke Heiland!
Thuisgekomen kwam er weer een delegatie uit Kelet hem bidden om mee te gaan; maar Heusdens kon niet anders meer dan weigeren en met nóg feller bewoordingen. Hoeveel moeite het afwijzen van mevrouw Gramberg hem zal hebben gekost, Heusdens hield zich aan wat hij zijn plicht achtte jegens God en de mensen.
Inmiddels was het nacht geworden, de laatste nacht. De "rampokkers" (plunderaars) zwierven al om Donorojo, maar pas tegen de ochtend vond de aanval plaats. Heusdens werd neergeslagen. De rampokkers maakten zich meester van de kas en de verdere voorraden van de leprozerie. Heusdens stierf in de armen van Piet, zijn tolk; de avond van te voren had Heusdens nog tot hem gezegd: „Piet, vergeet nooit, we hebben een sterke Heiland". Na zich enkele dagen verstopt te hebben onder een hoop mais-afval heeft Piet het stoffelijk overschot van zijn Pendeta (dominee) in de tuin van de pastorie begraven.
Zo is Heusdens gestorven. Zijn heengaan was in de voetstappen van zijn Jezus. Hij heeft zijn eigen leven niet liefgehad boven alles, maar predikte, in woord en daad, zijn Heiland, Die Zijn Leven gat tot een rantsoen voor velen.
Zendeling Heusdens heeft een verre van gemakkelijk leven gehad. De oude generatie heeft hem nog wel gekend, speciaal zij die van de classis Harderwijk waren. We mogen wel zeggen, dat Heusdens het waarachtige Leven is binnengegaan en nog velen van zijn geliefde patiënten daar zal ontmoeten, waar geen tranen meer zullen zijn.
Dit artikel werd u aangeboden door: Gereformeerde Zendingsbond
Geplaatst door Don F Rugebregt op 27 juli 2025


