Haar Oorlog In Een Brief
Alles wat wij nog hadden toen we met de boot uit Indië kwamen zat in een grijs blauw koffertje,
kleiner dan wat je nu als handbagage in het vliegtuig mee mag nemen. Dat koffertje lag op
zolder, mijn moeder keek er niet...
Lees meer
Haar Oorlog In Een Brief
Alles wat wij nog hadden toen we met de boot uit Indië kwamen zat in een grijs blauw koffertje,
kleiner dan wat je nu als handbagage in het vliegtuig mee mag nemen. Dat koffertje lag op
zolder, mijn moeder keek er niet naar om. Ook niet naar de bruinleren aktetas met twee riemen
die van mijn vader moet zijn geweest en op een of andere manier ook op zolder was beland. Mijn
moeder wilde het er niet meer over hebben. Pas na haar dood keek ik voor het eerst in de koffer
en de tas wat er in zat.
In het koffertje een verfomfaaide pop met een rood geel gebreide kleertjes, witte babykleertjes,
mijn babyboek, twee schriften met handgeschreven recepten, een ‘Croxley Cambric Writing Pad
for land, sea or air mail’, een linnen schoudertas vol brieven en buitenop in zwarte geborduurde
letters haar naam, H. Bertelsmann, en schuin daaronder een nummer, TT 1354.
In de aktetas een bureau inktset, grote langwerpige notarisenveloppen, een rond blik Prima
Rinsche Appelstroop gevuld met bankafschriften, een zakmesje, een bont gekleurde dunne
zakdoek, twee zilveren theelepeltjes in een doosje, drie kruisbeelden, een kerkboek, onderin
twee sleutelbossen met wel tien verschillende verroeste sleutels, in het voorvak met rits een lege
portefeuille en portemonnee, zijn paspoort en een dikke envelop met zwart bedrukte letters
STAMBOEK DER FAMILIE daaronder in schuinschrift Bertelsmann Bierman, met het
trouwboekje, een babyfoto, enkele losse brieven en aantekeningen en een foto van zijn graf: F.
Bertelsmann, HE. KPM, A’dam 24 3 07, Bang kinang 6 1 45.
In de Croxley blocnote is mijn moeder een dagboek begonnen toen de Duitsers Nederland
binnenvielen, 10 mei 1940, om het haar ouders na de oorlog te kunnen sturen. Sinterklaasavond
1940 schrijft Ma dat zij zich niet goed voelde en naar de dokter is geweest die haar volkomen
verraste met de mededeling dat ze al drie maanden zwanger was. Na tien jaar huwelijk hadden
mijn ouders deze zwangerschap niet meer verwacht.
Het babyboek begint met: Zaterdag 31 mei 1941. “Een lief kindje hoor”, zei de dokter van het St
Elizabeth Ziekenhuis in Medan. “Je heet Catharina Maria, Catharina, omdat je beide
grootmoeders zoo heeten en Maria, omdat je in de Meimaand verwacht werd”.
Na twee maanden gaan we in de auto een maand op vakantie in de bergen van Brastagi.
15 december 1941: “Vandaag en sinds een week leven we in oorlog”.
Op Kerstdag: “...de preek was nog maar net begonnen of luchtalarm. Ik ben in de auto naar huis
gereden en bijna de hele 1ste Kerstochtend hebben we in de loopgraaf doorgebracht.”
29 december 1941: “Gisteren het eerste bombardement meegemaakt. Het ging overdonderend
snel. We zagen de vliegtuigen al vóórdat de sirenes loeiden en onmiddellijk begonnen de
bommen te ontploffen. Het was iets over tweeën, je sliep net, ik haalde je, zóódat we de
vliegtuigen zagen, uit bed en heb met je achter de piano gehurkt gezeten, want er was geen tijd
meer om naar de loopgraaf over te steken.”
Die zelfde dag nog zijn we weer naar Brastagi gegaan.
Dan schrijft mijn moeder: “Na 31⁄2 week in Brastagi te zijn geweest kwamen we op 22 Jan. weer in
Medan, maar alleen om 2 dagen later alweer te vertrekken. Ik heb erg tegengestribbeld, maar
Vader wilde dat we naar Java gingen en dus zijn we in de nacht van de 24ste op de 25ste Jan. in
een Douglas D.C. 5 van Medan naar Batavia vertrokken. De reis duurde ruim 7 uur we hadden 2
rustpunten n.l. te Pakan Baru en Palembang......Het afscheid viel mij erg zwaar, maar voor
Vader moet het helemaal verschrikkelijk moeilijk zijn geweest ons en vooral jou te zien weggaan,
niet wetende of en wanneer we elkaar weer zouden zien.”
Op aandringen van mijn vader is mijn moeder met mij dus gevlucht voor de bombardementen, in
de veronderstelling dat het in de hoofdstad Batavia veiliger zou zijn dan in Medan, maar er is
meer. De brieven van mijn vader, voor zover ze mijn moeder bereiken (brief 1, 3 en 7) komen
niet uit Medan. Kennelijk is hij KPMagent geworden in de haven van Sibolga aan de westkust
van Sumatra boven Padang. Wat zijn missie precies is daar schrijft hij niet over. Volgens een
verklaring van het Ministerie van Oorlog is hij vrijgesteld van de algemene mobilisatie.
Waarschijnlijk moet hij zorgen dat de goederenstroom naar Medan op gang blijft via Sibolga aan
de westkust van Sumatra. Zijn brieven gaan over de verhuizing, over wat te doen met het
meubilair (de piano wordt verkocht), over het sturen van geld naar mijn moeder en over zijn
verlangen naar ons. Ook uit Sibolga zijn de meeste vrouwen en kinderen (Europese) vertrokken
naar Batavia. Hij schrijft dat het eigenlijk veilig genoeg zou zijn voor ons om bij hem te zijn, maar
dat het te gevaarlijk is om nu nog weer van Batavia naar Sibolga te reizen.
Mijn moeder en ik logeren bij goede vrienden in Pengalengan. Communicatie met de
buitengewesten wordt steeds moeilijker, haar brieven komen onbestelbaar terug, ook de
telegraafverbinding is verbroken. Ma schrijft in het babyboek:
25 Febr. 1942 “Lieve Frits de rest van dit boek is voor jou.”
9 maart 1942 de dag na de capitulatie van het Nederlandse leger in Indië, vlucht mijn moeder
met mij en de bevriende familie ‘s nachts naar Bandoeng waar de Japanners nog niet
gesignaleerd zijn. Zij huren samen een huis.
24 Maart 1942 “Vandaag ben je jarig liefste......gisteren hoorden we het rampzalige bericht dat
de KPM het personeel en bloc heeft ontslagen, daar de Koninklijke Paketvaart Maatschappij niet
meer bestaat....de Jap.hebben beslag gelegd op alle bezittingen van de KPM, de directie is
gevangen genomen.” Mijn moeder rekent uit dat als ze zuinig leeft met het geld dat zij nog heeft
wij het nog wel een jaar uit kunnen houden.
31 mei 1942 “Ik heb een heele week niet geschreven omdat ik dit laatste stukje van het
babyboek aan den 1ste verjaardag van onze kleine lieveling wilde wijden....Nog bijna dagelijks
als ik met haar op straat wandel, hoor ik ”wat een schat, wat een vriendelijk kindje, kijk eens wat
een snoezige baby, enz. enz.”
Mijn vader schreef met potlood een brief op de achterkant van formulieren van ‘De Brigadeleider’.
“Het is momenteel begin Juli 1944, dwz 2 jaar en zeven maanden oorlog met Japan. Dat
betekent ook dat jij met Ina nu reeds 2 jaar en ruim 5 maanden geleden naar Java bent
vertrokken. Wat een tijd geleden. In normale tijd zouden we ongeveer van Europees verlof zijn
teruggekomen. Dit zou wel iets later geweest zijn dan het schema 6 jaar 8 mnd, maar je
herinnert je dat wij van plan waren een paar maanden later naar Holland te gaan om zodoende
onze koperen bruiloft (5 maart 1944) in Holland te vieren. Hoe zeer is alles misgelopen. Thans
ver van elkaar weg over en weer weten wij niet eens waar wij ons bevinden en of wij nog in leven
zijn.
Bij aanvang van de bezetting was ik net in Fort de Kock (S.W.K.) aangekomen en daar werden
we als Europeanen geïnterneerd. Na 2 maanden in een kamp te Padang Padjang geweest te zijn
werden we naar Padang gezonden en daar zit ik nu nog. Alle overige geïnterneerde Europeanen
werden eind 1943 naar het binnenland overgebracht doch ik en een groep met 23 anderen
(Hollanders en Engelsen) zijn te Padang gebleven waar we bevolen werden vertaalwerk HollEng
te doen. Verschillende landbouwkundige, mijnbouwkundige, etnografische, economische e.d.
boeken, tijdschriftartikelen hebben we moeten vertalen.
En zo zitten we nu nog hier te Padang met weinig meer uitzicht op het einde v/d interneering, dan
van tijd tot tijd verduistering of k.b.d. oefening. Tot goed begrip van zaken nog even dit. Wij, 23
man, zijn nog steeds geïnterneerd wonen in 2 oude houten huizen gelegen tussen de Kathedraal
en de R.K. Kerk van de Chinezen. Er staat een houten schutting om ons erf en alleen de zieken
komen er een enkele keer uit om naar het hospitaal te gaan.
Dat ik mij eerst nu zet tot het schrijven van deze brief, die ik overigens in mijn documentenzakje
zal bewaren, is dat ik de laatsten tijd veel meer dan voorheen last heb van darmstoornissen.
Dankzij een voortdurend dieet, waarvoor onze gezamenlijke kampkeuken zorgde (ook voor
andere zieken) is het erg goed gegaan en ik was volkomen goed met alleen van tijd tot tijd een
paar dagen van slapheid, soms met wat buikloop, alles bij elkaar ging het echter best.
De voeding in het groote kamp was magertjes. Toen wij, vertalers, apart kwamen hadden we wat
beter eten, maar nu de prijzen zeer zijn opgelopen is dit ook veel slechter geworden. Rijst
gedeeltelijk vervangen door mais, groeten met voornamelijk de stelen, geen of weinig vleesch,
geen eieren, melk, kortom weinig geschikt voor een darmpatiënt. Was ik aanvankelijk wat dikker
geworden, sedert begin Juni 1944 takel ik een beetje af en heb veel buikpijn (rechts onder en
boven), veel buikloop, erg moe gevoel. Een bezoek aan het hospitaal (Ind. en Jap. doktoren) gaf
geen nieuws (abnormal disease). Ik kreeg wat bismuth en een klein fleschje leverextract, dieet
en rust voorgeschreven. ik eet nu ontbijt rijstpap in water gekookt; ‘s middags rijst en
kangkongbladen in water tot pap gekookt met wat extra groetensap erbij; ‘s avonds idem met 2x
per week een klein stukje vleesch, elke dag een pisang.”
6 Sept. 1944 stuurde mijn vader dit bericht vanuit Bangkinang op een flinterdun velletje papier:
1. Keschatan I am in good health, 63 kilo’s, hope you also and Ina growing well.
2. Kchidoepan Interned. I have never received any word from you. Praying for you both during
Sunday Holy Mass and Communion.
3. Lainlain Compliments from van Munster and all love from Frits
In de schriftjes met recepten van mijn moeder maakte zij ook aantekeningen waaruit blijkt waar
en wanneer wij in welk kamp hebben gezeten.
13 Jan. 1943 internering in Bloemenkamp, Bandoeng
13 Aug. 1943 overplaatsing naar het burgerkamp in Tjihapit
26 Nov. 1944 op transport in vrachtauto naar ADEK, Batavia
18 Aug. 1945 Hotel Daendels, Batavia
Ik was vast van plan al mijn moeders brieven, dagboekfragmenten, andere documenten en
aantekeningen uit te typen. Om te beginnen heb ik alle papieren in twee grijze ordners
gesorteerd met elk document in een eigen plastic map, wel 50 in iedere ordner. De eerste ordner
bevat alles tot de bevrijding, de tweede alles van daarna. De dagen dat ik hiermee bezig was heb
ik veel in detail gelezen en kreeg daarvan zo’n verschrikkelijke hoofdpijnen en vreselijke
nachtmerries dat ik ermee moest stoppen.
Toen vond ik deze brief van mijn moeder, geschreven anderhalve maand na de bevrijding. Deze
ene brief zegt genoeg. Haar oorlog in een brief:
den Heer F. Bertelsmann
c/o Netherlands Camp
Singapore
voorheen interneringskamp
voor burgers in of nabij Padang
Lieve Frits, 30 Sept. 1945
Dit is alleen maar weer een nieuwe desperate poging om met je in contact te komen. Het
wordt dan ook geen brief want in al mijn vorige epistels ben ik al steeds in herhalingen vervallen
en er schijnt toch niets van terecht te komen.
Ik (heb) geschreven meerdere malen naar Medan, Padang en S’pore, wat S’pore betreft
zoowel naar de Mij. als naar het “Netherl. Camp”. Verder telegrammen verzonden naar Padang
en Medan.
Ik kan v/d spanning bijna niet meer slapen en de menschen om mij heen krijgen maar
dagelijks brieven uit S’pore, Bangkok, Saigon, Calcutta enz. Lenie Verhoef heeft allang een
telegram van haar man en zij had tevoren nooit iets gehoord.
Ik heb van jou één briefkaart gehad, verzonden 6 Sept. 1944 en ontvangen op 1 Mei
1945, hieruit meende ik te kunnen opmaken dat je in Padang geïnterneerd was. In ieder geval
was je een jaar geleden dus nog gezond en wel want 63 kilo viel mij nog mee.
Ik ben nogal afgeknapt, nooit zwaar ziek geweest, maar tot en met uitgeput (44 kilo), heb
altijd hard gewerkt in Adek waar we 10 mnd. gezeten hebben (een vreselijke tijd was dat). De
laatste tijd mocht ik eigenlijk niet meer werken en daarom heeft de dokter mij bij de 1ste groep
ingedeeld, die voor overplaatsing naar een hotel in aanmerking kwamen. Hier zitten we nu
vorstelijk sinds 189 terwijl er in Adek nog altijd 1700 vrouwen en kinderen hokken. Mijn
dankbaarheid kent dan ook geen grenzen. Van Ine zou ik natuurlijk zooveel kunnen vertellen, dat
ik er maar niet aan begin voor ik er zeker van ben dat mijn brief je bereikt, alleen dit: ze is door
en door gezond en zoo stevig en flink dat het niet te gelooven is dat zij ooit in een kamp gezeten
heeft. Maar ze ging dan ook altijd voor alles in alle opzichten bij mij, dat snap je. Nu heb ik nog
maar een wensch: zoo gauw mogelijk voor jullie beiden te kunnen zorgen.
Ik moet eerst zelf nog wel bijspijkeren, maar de dokter zei: “volkomen gezond en van een
echt taai gestel”, het is alleen die ellendige honger geweest + “zenuwen”, die mij zoover hebben
gekregen. Maar ik kom hier al ontzettend bij, eerst wilden de ingewandjes nog niet erg (want daar
heb ik natuurlijk ontzettend aan gesukkeld) maar dat is nu al stukken beter; ik eet ontzettend,
ben bijna niet te verzadigen en slaap ca. 11 uur per etmaal.
Ineke, die den laatsten tijd in Adek bijna geen rijst meer naar binnen kon krijgen (het was
voor haar precies op tijd afgelopen) eet hier als een wolfje en groeit nog eens dicht als het zoo
door gaat. Visch, vlees, eieren, melk en volop vruchten elken dag! Ach nu is het toch weer een
brief geworden, ook dat schijn ik niet te kunnen laten!
Dag mijn lieve Pappa, veel kusjes van uw Ina
Er is een voorlopig KPM kantoortje gevestigd op Tjikini. Ik schreef Hr. D.H. de Jong, die daar zetelt een
brief om mijn adres te deponeren. Misschien lukt het nog het eerste om via de My. contact te maken. Mijn adres is
Hotel Daendels Kamer I.
Alle alle liefs en kussen van Heleen en Ine.
Augustus 2014
Frans W. Saris en Pien Saris-Bertelsmann
www.franswsaris.nl
Sluiten