Johannes Hendrik Pelupessy
1896-1945
Portret toevoegen?
Klik hierOorlogsslachtoffer
Is 49 jaar geworden
Geboren op 02-03-1896 in Ouw Saparoe
Overleden op 13-08-1945 in Pakanbaroe, kamp 2
Afbeeldingen
Afbeelding toevoegen?
Klik hierBijdragen
De volgende bijdragen zijn door bezoekers toegevoegd:
Een Moluks leven tussen Ouw, Java, oorlog en ballingschap
Johannes Hendrik Pelupessy werd geboren op 2 maart 1896 in Ouw, een oude negeri op het eiland Saparua. Ouw was een gemeenschap met sterke familieverbanden, protestantse tradities en een diepgewortelde adatcultuur. De zee bepaalde het ritme van het leven. Families leefden dicht op elkaar, verhalen werden mondeling doorgegeven en afkomst speelde een grote rol in de sociale verhoudingen.
Johannes Hendrik werd geboren in een familie met aanzien. Zijn vader was bapa raja van Ouw — dorpshoofd en bewaker van de traditionele orde. In de koloniale tijd betekende dat een positie tussen twee werelden: enerzijds vertegenwoordiger van de eigen negeri en adatgemeenschap, anderzijds onderdeel van het bestuursapparaat van Nederlands-Indië. Het was een functie die gezag, verantwoordelijkheid en prestige met zich meebracht.
Voor de jonge Johannes Hendrik leek zijn toekomst daarom min of meer vast te liggen. Hij was zoon van de bapa raja. In een traditionele samenleving betekende dat dat men naar hem keek als mogelijke opvolger. Maar de geschiedenis van een mens verloopt zelden volgens de verwachtingen van anderen.
De keuze voor het KNIL
Zoals veel jonge Molukse mannen van zijn generatie trad Johannes Hendrik al vroeg in dienst van het KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Vermoedelijk gebeurde dat rond 1915 of 1916. De Molukken leverden al generaties lang militairen aan het koloniale leger. Voor veel families was het soldatenbestaan onderdeel geworden van hun sociale werkelijkheid. Die keuze had verschillende redenen.
Het KNIL bood een vast inkomen in een tijd van beperkte economische mogelijkheden op de eilanden. Daarnaast gaf het status, regelmaat en de mogelijkheid om buiten de Molukken een bestaan op te bouwen. Voor veel jonge mannen betekende dienst nemen ook avontuur: weg uit het kleine eilandbestaan, naar Java, Sumatra of andere delen van de archipel. Zo kwam Johannes Hendrik terecht op Java.
Daar maakte hij kennis met een totaal andere wereld. Java was dichtbevolkt, bruisend en cultureel rijk. De grote steden van Nederlands-Indië — Batavia, Semarang,
Surabaya en Malang — vormden het centrum van het koloniale leven. Hier leefden Europeanen, Indo-Europeanen, Chinezen, Arabieren, Molukkers en Javanen naast elkaar in een complexe samenleving vol hiërarchie en ongelijkheid. Op Java ontmoette hij een jonge Javaanse vrouw uit de omgeving van Solo: Siwo.
Siwo
Siwo kwam uit een eenvoudige Javaanse familie. Haar ouders bezaten een klein winkeltje waar batik werd verkocht. Het was geen rijk gezin, maar het bood een bestaan in het alledaagse ritme van Java: markten, familie, handel en religieuze tradities. Haar vader droeg de titel Raden. De ontmoeting tussen Johannes Hendrik en Siwo bracht twee totaal verschillende werelden samen.
Hij was afkomstig uit een protestants Moluks dorp met bestuurlijke status. Zij was een Javaanse vrouw uit de lagere midden klasse van Midden-Java. Toch ontstond tussen hen een relatie die sterk genoeg bleek om sociale grenzen te doorbreken.
Zij trouwden en kregen hun eerste kinderen op Java. Hun oudste zoon werd geboren in 1919. Uiteindelijk zouden zij drie zonen en drie dochters krijgen. Alle kinderen werden op Java geboren. Java werd hun thuis. Maar Johannes Hendrik wilde zijn vrouw ook voorstellen aan zijn familie en gemeenschap op Saparua.
Terugkeer naar Ouw
Toen Johannes Hendrik met Siwo terugkeerde naar Ouw, werd duidelijk hoe ingewikkeld identiteit en afkomst konden zijn binnen de Molukse samenleving van die tijd. Siwo werd gedoopt en christen gemaakt. Zoals vaker gebeurde in die periode kreeg zij een nieuwe naam — de naam van haar schoonmoeder, Anakotta. Daarmee verdween haar oorspronkelijke Javaanse naam vrijwel uit de familiegeschiedenis. Het was meer dan alleen een religieuze overgang. Het betekende opname in de Molukse gemeenschap, onderwerping aan de adat en een poging om haar een plaats te geven binnen de sociale structuur van Ouw. Maar haar afkomst bleef gevoelig liggen.
Binnen de familie en het dorp bestonden bezwaren tegen het idee dat Johannes Hendrik later zijn vader als bapa raja zou opvolgen. Een dorpshoofd moest niet alleen
gezag hebben, maar ook passen binnen de traditionele verwachtingen van afkomst, familiebanden en culturele zuiverheid. Dat Johannes Hendrik getrouwd was met een Javaanse vrouw maakte zijn positie kwetsbaar. Uiteindelijk werd besloten dat niet Johannes Hendrik, maar zijn broer Paulus later hun vader zou opvolgen.
Het besluit werd waarschijnlijk in overleg genomen, maar moet diepe sporen hebben achtergelaten. Misschien voelde Johannes Hendrik dat zijn toekomst in Ouw niet langer werkelijk open lag. Misschien besefte hij dat zijn leven inmiddels elders lag. Hij keerde terug naar Java.
Een leven op Java
Daar bouwde het gezin verder aan hun bestaan. Johannes Hendrik bleef verbonden aan het KNIL en bracht een groot deel van zijn volwassen leven door binnen de koloniale militaire wereld. Zijn kinderen groeiden op in Javaanse steden als Malang en Surabaya. Dochter Louise werd geboren in Malang in 1930. De kinderen bezochten Europese scholen, omdat hun vader als KNIL-militair was gelijkgesteld. Gelijkgesteld” betekende dat iemand in Nederlands-Indië bijna hetzelfde werd behandeld als Nederlanders of Europeanen. Daardoor konden kinderen bijvoorbeeld naar Europese scholen gaan en kregen gezinnen soms meer rechten en kansen. Voor oma Siwo bleef die koloniale samenleving ingewikkeld. Haar kinderen leerden Nederlands spreken en volgden Europees onderwijs. Zijzelf niet. Zij bleef in veel opzichten een Javaanse vrouw uit Solo, ondanks haar christelijke naam en haar opname in een Molukse familie. Het gezin woonde onder andere in Surabaya, aan de Kippesteeg VII. Dat adres zou later teruggevonden worden op een Japanse interneringskaart. De Kippesteeg lag vermoedelijk in een dichtbebouwde volkswijk in de oude benedenstad van Surabaya, vlak bij handelsstraten, stegen en kampongs waar veel militairen, havenarbeiders en gemengde gezinnen woonden.
Veranderende overtuigingen
Eind jaren dertig ging Johannes Henderik met pensioen. Volgens zijn zoon Frans wilde hij aan het einde van zijn militaire loopbaan niet opnieuw bijtekenen bij het KNIL. Hij kwam onder invloed van de Sarekat Ambon, de beweging rond Alexander Jacob Patty en andere Molukse intellectuelen die kritiek hadden op de koloniale verhoudingen. De Sarekat Ambon sprak over waardigheid, emancipatie en goed onderwijs voor Molukkers. Daarnaast wilde de organisatie het politieke bewustzijn vergroten en nadenken over een eigen toekomst voor Molukkers. Steeds duidelijker schaarde zij zich daarbij achter de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging en het streven naar een vrij en zelfstandig Indonesië. Dat was opvallend. Veel Molukse militairen bleven loyaal aan Nederland. Het KNIL bood immers werk, status en zekerheid. Maar tegelijkertijd groeide bij een deel van de Molukse gemeenschap het besef dat zij ondanks hun loyaliteit nooit volledig gelijkwaardig werden behandeld. Misschien voelde Johannes Hendrik dat hij na tientallen jaren dienst nog altijd vooral soldaat van een ander was gebleven. Hij tekende niet meer bij.
De Japanse inval
In maart 1942 veranderde alles. Japan viel Nederlands-Indië binnen en het koloniale bestuur stortte in korte tijd in elkaar. Surabaya werd zwaar gebombardeerd. Chaos, angst en onzekerheid grepen om zich heen. Hoewel Johannes Hendrik inmiddels gepensioneerd was, werd hij weer opgeroepen om dienst te doen. Op 8 maart capituleerde Nederland en op 11 maart 1942 werd hij samen met duizenden anderen gevangen genomen.
Zijn familie zag hoe hij werd weggevoerd. Later vertelde dochter Louise hoe haar moeder en dochters hem tijdens zijn gevangenschap in Batavia/Jakarta nog stiekem eten brachten. Dat beeld bleef in de familie voortleven: vrouwen die proberen voedsel door te geven aan een man achter prikkeldraad en Japanse bewaking. Daarna verdween hij uit hun directe leven.
Krijgsgevangenschap
Johannes Hendrik werd geregistreerd als krijgsgevangene:
• Ambonees;
• voormalig KNIL-militair;
• stamboeknummer 1784;
• korporaal.
Eerst verbleef hij in kampen op Java. Later werd hij overgebracht naar Malaya en uiteindelijk naar Sumatra, waar de Japanners duizenden krijgsgevangenen inzetten voor de aanleg van de beruchte Pakan Baroe-spoorlijn.
De Dodenspoorlijn van Sumatra
Pekanbaru Death Railway. De spoorlijn liep dwars door de jungle van Sumatra. De Japanners wilden een verbinding aanleggen tussen de west- en oostkust van het eiland. Daarvoor gebruikten zij: geallieerde krijgsgevangenen; KNIL-militairen en tienduizenden Indonesische romusha’s. De omstandigheden waren verschrikkelijk. De gevangenen leefden onder mensonterende omstandigheden in modderige barakken, waar nauwelijks voedsel beschikbaar was. Dagelijks werden zij gedwongen tot zwaar lichamelijk werk, zoals het dragen van spoorrails, het kappen van jungle, het afgraven van grond en het bouwen van bruggen. Tegelijkertijd verspreidden ziekten zich razendsnel door de kampen. Malaria, dysenterie, cholera, huidinfecties en beri-beri als gevolg van ernstige vitaminetekorten maakten talloze slachtoffers. Veel gevangenen stierven uiteindelijk niet door geweld, maar langzaam aan uitputting, honger en ziekte. Volgens de Japanse registratie werd Johannes Hendrik ziek op 2 februari 1945. Zijn lichaam was waarschijnlijk al volledig verzwakt door jarenlange gevangenschap en ondervoeding.
Op 13 augustus 1945 stierf hij om negen uur ’s morgens in het ziekenverblijf van Kamp Malay I in Pekanbaru. Officieel noteerden de Japanners beri-beri als doodsoorzaak. In de familieherinnering leefde ook dysenterie voort. Waarschijnlijk was het een combinatie van ziekten, honger en uitputting. Twee dagen later capituleerde Japan. Hij maakte het einde van de oorlog net niet meer mee.
Menteng Pulo
Na de oorlog werd zijn lichaam overgebracht naar Jakarta. De vraag om hem op Saparua te begraven, werd door zijn vrouw en kinderen afgewezen. “Al mijn kinderen wonen hier.” Die woorden zeggen alles. Java was haar thuis gebleven. Daar wonen haar kinderen, haar herinneringen aan haar ouders en jeugd. Zo werd Johannes Hendrik begraven op het Nederlands Ereveld Menteng Pulo te Jakarta. Daar rust hij nog altijd. En nog steeds bezoeken zijn kleinkinderen het graf.
Een laatste afscheid
Begin jaren vijftig vertrokken veel Molukse KNIL-families naar Nederland voor wat “tijdelijk verblijf” werd genoemd. Na het huwelijk van haar oudste dochter Louise met marineman Josias, slechts een maand na het overlijden van haar man, trok zij bij hen in. Het leven had haar opnieuw een verlies gebracht, maar ook de nabijheid van haar kinderen en kleinkinderen gaf nog houvast in een wereld die steeds onzekerder werd.
Toen het bevel kwam dat het gezin naar Nederland moest vertrekken, smeekte haar dochter haar mee te gaan. Maar opnieuw weigerde zij. Nederland was voor haar geen belofte van een nieuw begin, maar een onbekend en beangstigend land — koud, vreemd en met een taal die zij niet sprak. Haar hele leven lag in Indonesië, tussen de geuren, stemmen en herinneringen die haar gevormd hadden. “Ik wacht wel tot jullie terugkeren,” zei zij. Waarschijnlijk geloofde zij dat ook werkelijk. Zoals zovelen geloofden dat het vertrek tijdelijk zou zijn. Bij het afscheid sloot zij haar drie kleinkinderen stevig in haar armen. Misschien iets langer dan anders. Misschien voelde zij ergens diep van binnen dat afscheid soms definitief kan zijn, nog voordat mensen dat durven uit te spreken. De kinderen vertrokken. Het schip verdween. En zij bleef achter.
Zij zou haar kinderen en kleinkinderen nooit meer terugzien. Begin jaren zestig overleed zij in Makassar, in de armen van haar dochter Johanna. Ver weg van de familie die inmiddels verspreid leefde over een ander continent. Zo eindigde het leven van een Javaanse vrouw die ooit Siwo heette. Een vrouw die haar naam verloor toen zij werd opgenomen in een Molukse familie, die oorlog, verlies en ontworteling overleefde, maar uiteindelijk achterbleef in een Indonesië dat evenmin nog helemaal haar thuis was geworden.
Het verhaal van Johannes Hendrik Pelupessy is daarmee meer dan een familiegeschiedenis. Het is een verhaal over kolonialisme, migratie, oorlog, uitsluiting, identiteit en verlies. Over een Molukse zoon van een bapa raja die soldaat werd in een leger dat uiteindelijk zelf ten onder ging aan de geschiedenis. Over een Javaanse vrouw die haar naam opgaf voor een nieuw bestaan. Over kinderen die opgroeiden tussen verschillende werelden, zonder ooit volledig ergens thuis te zijn. Het is een verhaal over Japanse kampen, over afscheid zonder terugkeer, over families die door oorlog en migratie voorgoed uiteen werden gerukt. Maar uiteindelijk is het ook een verhaal over herinnering. Want dankzij een eenvoudige interneringskaart met daarop het adres “Kippesteeg VII” komt een verdwenen wereld weer even tot leven. Een wereld van mensen die liefhadden, hoopten, leden en verdwenen uit het grote verhaal van de geschiedenis — maar niet uit het geheugen van hun kinderen en kleinkinderen.
SluitenGeplaatst door Coördinator Archief Oorlogsgravenstichting op 18 mei 2026
Voeg zelf een monument toe
Log in om een monument toe te voegenVoeg zelf een verhaal of document toe
Log in om een bijdrage toe te voegenLeg bloemen op dit graf


